Les 4 – Av diafragma voorkeuze stand

In deze les gaan we fotograferen met de Av stand van de camera. Met de Av stand, ookwel Aperture Value kun je zelf het diafragma van de camera instellen.

Diafragma

De lens heeft een diafragma ingebouwd, wat groter en kleiner kan worden om zo de grootte van de opening van de lens te kunnen veranderen. Het diafragma geven we aan met f. Je kunt het diafragma instellen op 1.0, 1.8, 2.0, 2.2, 2.5, 2.8, 3.2, 3.5, 4.0, 4.5, 5.0, 5.6, 6.3, 7.1, 8.0, 9.0, 10, 11, 13, 14, 16, 18, 20 en 22. Dit is een hele lijst, en sommige camera’s slaan wat stappen over. Een groot diafragma staat voor het laagste cijfer en een klein diafragma voor een hoog cijfer. Dus haal dit niet door de war! Niet elke lens kan een groot diafragma aan, sommige beginnen bij 5.6.

diafragma

Wat is het nut van het diafragma instellen

Het diafragma van de camera bepaald de scherptediepte op de foto. Dit is de hoeveelheid die scherp is. Bij een groot diafragma (bv. f/1.8) is er maar een klein stukje van de foto (richting de diepte) scherp. Dit is mooi voor het isoleren van je onderwerp. Bij een klein diafragma (bv f/16) is er heel veel scherp van de foto. Dit is weer mooi bij gebouwen of een landschap. Je kunt dit goed onthouden door te kijken naar de waarden. Bij 1.8 is er weinig scherp (denk aan korte afstand) en bij 16 is er veel scherp (16 is een stuk groter en dus meer scherpte).

Bij een groot diafragma valt er meer licht op de sensor van de camera, waardoor je een kortere sluitertijd kunt gebruiken. Het is wel lastiger om scherp te stellen, omdat je er snel naast kunt zitten vanwege de geringe scherptediepte.

Hoe stel je dit in

Zet de camera op de Av stand door aan het keuzewiel te draaien. Draai nu met je instelwiel zodat je de gewenste diafragma waarde kunt instellen. Kies bijvoorbeeld voor f/8. Bij f/8 zijn de meeste lenzen op hun scherpst. De camera past nu zelf de sluitertijd hierop aan. Op deze manier kun je goed oefenen.

Les 3 – Camera standen

camera_standen_wiel_canonDe camera beschikt over verschillende standen. In deze les behandel ik alle standen zodat je weet waar ze toe dienen.

  • Geen flits – In deze stand flits de camera niet. Gebruik deze stand als de camera beslist niet mag flitsen, bij voorbeeld in een museum. De camera zal andere manieren gebruiken om de juiste belichting te krijgen en bij weinig licht heb je wel een vaste hand nodig.
  • Nachtstand – Deze stand kun je gebruiken voor als je in het donker een foto wilt maken. Je hebt hier wel een statief voor nodig.
  • Sportstand – Voor foto’s van objecten waar beweging in zit. Ook handig om kleine kinderen mee te fotograferen, zij kunnen nogal snel bewegen. De camera neemt een korte sluitertijd bij de sportstand.
  • Macro – Deze stand is om onderwerpen van dichtbij te fotograferen.
  • Landschap – Deze stand kun je gebruiken om een landschap op de foto te zetten. De camera kiest hier een kleiner diafragma zodat de achtergrond overal scherp is.
  • Portret – Deze stand is ideaal als je een portretfoto wilt maken. De camera kiest hier een groter diafragma zodat de achtergrond wazig is, de aandacht gaat hierdoor uit naar de persoon op de foto.
  • Volautomatisch – De stand om even snel een foto te maken, of om te beginnen.
  • P stand – De P stand lijkt op de volautomatische stand, alleen bij de P stand worden alleen de sluitertijd en het diafragma ingesteld. De rest kun je zelf instellen
  • Tv stand – Met de Tv stand kun je zelf de sluitertijd bepalen. De camera past aller eromheen aan.
  • Av stand – De Av stand is om het diafragma mee in te stellen. De rest doet de camera. De Av en Tv standen zijn goed om het effect van de opties te leren.
  • M stand – In de M stand kun je alles zelf instellen. Je moet hier zelf de juiste combinatie tussen diafragma, sluitertijd en ISO waarde bepalen. In de M stand heb je volledige controle, maar je kunt hier ook volledig de mist mee ingaan als je verkeerde waardes kiest.

In de komende lessen leer je de Tv, Av en M stand toe te passen.

Les 2 – Camera en lenzen kiezen

Om te beginnen met spiegelreflex fotografie heb je wat basis apparatuur nodig. Allereerst natuurlijk de camera en een objectief (lens).

De camera

Fabrikanten verkopen vaak bundels, zogenoemde “kits”. In deze kit zit de body (dit is de camera zonder objectief) en een standaard lens (objectief). Dit is een “starters” lens met een bereik van rond de 18 t/m 55mm. De lens wordt ook wel kitlens genoemd. Met dit bereik heb je groothoek en een stukje zoom inéén. Het objectief is vaak van plastic gemaakt en geeft niet de allerbeste beeldkwaliteit. Wel is het een ideale lens om mee te beginnen. Dat het een goedkopere lens is betekend niet dat hier geen mooie foto’s mee te maken zijn. Mocht je in de loop der tijd tegen beperkingen aanlopen kan je altijd overgaan op een andere lens.

Heb je zelf al een voorkeur voor een bepaald objectief of wil je meteen iets beters dan de kitlens kan je een losse body kopen. Dit is iets goedkoper dan een kit en geeft je alle keuzevrijheid.

Welk merk moet je nou kopen?

Dit is een lastige vraag. Heb je nog lenzen van een merk liggen die erop passen, of heb je een kennis of familielid die ook met dat merk fotografeert dan is het handig om ook voor dat merk te gaan. Je kunt dan lenzen uitwisselen.

Online kopen is soms iets goedkoper, maar het is verstandiger om naar een camera speciaalzaak toe te gaan om daar alle camera merken die in je prijsklasse zitten uit te testen. Je kunt zo goed voelen welke het best in de hand ligt en bij welk merk je de bediening fijner vind. Laat je goed voorlichten. Heb je het idee dat ze je wat aan willen smeren? Ga dan ook naar een andere winkel om daar advies te vragen. Denk ook aan service, mocht je later iets hebben met je camera of heb je er vragen over, kan je dan bij de winkel langsgaan? Niet bij elke winkel hebben ze hier aandacht voor.

Over het algemeen zijn er geen slechte merken, dus kijk wat het merk je te bieden heeft. Welke lenzen zijn er allemaal en wat kosten ze? Kan je later nog makkelijk uitbreiden of moet je dat overstappen op een andere camera? Maak voor je zelf een lijstje en denk er even goed over. In deze cursus maken we gebruik van een Canon EOS 40D.

Een lens

Nu de camera gekozen is heb je natuurlijk een lens nodig. Als je een kit hebt gekocht heb je dit niet nog extra nodig maar kan het toch verstandig zijn dit stukje te lezen.

Er zijn verschillende soorten lenzen, zoals een groothoek lens om veel van de omgeving op de foto te krijgen, een standaard zoomlens om wat groothoek te hebben maar ook iets in te kunnen zoomen en een telelens om alles een stuk te kunnen vergroten.

Zoom of prime?

Er zijn zoomlenzen en primelenzen. Met een zoomlens kan je in en uitzoomen en ben je flexibel. Een prime daarintegen heeft maar één brandpuntsafstand. Hiermee kan je niet in of uitzoomen. Het voordeel van een prime ten opzichte van een zoomlens is de goede kwaliteit. Het objectief is simpeler, lichter en hoeft geen ingewikkelde constructies te hebben om in te zoomen. De beeldkwaliteit is bij een prime vaak beter en ook heeft een prime vaak een groter diafragma. Wat diafragma is lees je in de volgende lessen, maar het houdt in dat je meer licht door de lens krijgt en daardoor bij schemer nog zonder flits kan fotograferen. Een nadeel van een prime is dat je een stap naar voren of naar achteren zult moeten doen als je je beeld wilt veranderen. Dit roept wel creativiteit op.

Stabilisatie of niet?

Er zijn lenzen met stabilisatie en er zijn lenzen zonder. De stabilisatie in de lens gaat bewegingen die je zelf maakt tegen. Hierdoor is het mogelijk om iets langere sluitertijden te hanteren en kan je ook bij schemer iets langer doorgaan. Sluitertijd zal ook in de volgende lessen behandelt worden. Stabilisatie is handig, maar geen vereiste. Met de juiste instellingen kan je ook zonder goede foto’s maken. Bij Canon noemen ze stabilisatie IS en bij Nikon VR.

Accessoires

Met een camera en een lens ben je er helaas nog niet. Wat is nog meer handig om te hebben?

Cameratas

Om je kostbare camera op te bergen en te vervoeren heb je een tas nodig. Een cameratas bevat zacht materiaal waardoor de camera goed opgeborgen is en beschermt is tegen stoten. Er zijn verschillende soorten tassen zoals een schoudertas en een rugtas. Er zijn ook speciale rugtassen die je in één draai op je buik kunt draaien zodat je makkelijk de camera kunt pakken.

Een tas moet plaats bieden voor alle spullen die je nodig hebt. Dit is niet alleen de camera, denk ook aan lenzen, boekjes, oplader etc. Probeer verschillende tassen in de winkel uit en kijk uit dat het niet te zwaar is voor je rug. Koop een tas op de groei maar koop hem ook niet te groot, anders kan je onnodige spullen mee gaan zeulen.

Accu

Bij de camera zit een accu meegeleverd. Ga je op locatie foto’s maken of schiet je veel foto’s achter elkaar is het handig om een extra accu te hebben. Accu’s zijn er niet alleen van je cameramerk maar er zijn ook imitaties. Dit kan een hoop geld schelen. Reis je veel met de auto en heb je geen stopcontact beschikbaar op de accu te laden kan een autolader ook handig zijn. Zorg dat je accu’s altijd opgeladen zijn als je foto’s gaat maken zodat je niet met een lege camera komt te staan.

Geheugenkaart

Foto’s moet je ergens opslaan, en dit gaat gelukkig niet meer op een fotorolletje. Er zijn geheugenkaarten in verschillende formaten. Het is aan te raden om bij de aanschaf meerdere kaartjes te kopen in plaats van 1 hele grote. Stel dat deze kapot gaat kan je niet meer verder. Bij meerdere kleinere kaarten kan je gewoon doorgaan, met minder dataverlies.

Statief

Om foto’s bij weinig licht of met een speciaal effect te maken is het handig om een statief te hebben. Een driepootstatief is stevig en kun je los laten staan. Een éénpootstatief is wat minder stevig en kan niet los staan, maar is wel makkelijk mee te nemen en snel neer te zetten. Bedenk goed waar je het statief voor wilt gebruiken en probeer ze uit in de winkel. Let op de hoogte van het statief, je wilt niet heel de tijd gebukt staan. Ook het gewicht is van belang, zo licht mogelijke spullen scheelt een zere rug.

Les 1 – Inleiding fotografie

In deze les geef ik een korte introductie in de digitale fotografie. Ik behandel verschillende typen camera’s en lenzen en leg uit wat er in de rest van de cursus staat te gebeuren.

Een gewone fotocamera kennen we allemaal wel, je zet hem aan, drukt op de ontspanner en de foto is genomen. Alles gaat volautomatisch. Je hoeft alleen zelf te bepalen wat je op de foto wilt hebben. Met een digitale spiegelreflex (dSLR) kan je veel meer bepalen.

Door het instellen van het diafragma kan je bepalen welk deel van de foto je scherp wilt hebben, bijvoorbeeld als je een rij mensen hebt kan je scherpstellen op 1 persoon en de rest vaag op de achtergrond zetten. Hierdoor komt de aandacht bij die ene persoon.

Door het instellen van de sluitertijd kan je ook bepalen hoelang er licht op de foto moet vallen. Meer licht geeft een heldere foto, alleen de kans op beweging is groter. Een spiegelreflex heeft een sluiter en een sensor. Als de sluiter open staat registreert de sensor alles wat je door de camera ziet. Des te langer deze dus open staat des te meer licht er op kan vallen. Alleen als je sluiter een seconde openstaat kan de persoon die je fotografeert bewogen hebben. Hierdoor komt hij er niet scherp op te staan.

Objectieven

Een voordeel van een spiegelreflex ten opzichte van een compactcamera is dat je er verschillende objectieven (lenzen) op kunt zetten. Bij een kitcamera (beginnersset) zit vaak een 18-55mm objectief. Dit is een groothoek (18) tot normaal beeld objectief. Er zijn ook tele objectieven verkrijgbaar, bijvoorbeeld 70-300mm. Als het objectief op 300 mm staat kan je een object flink vergroten. Zo kan je op afstand bijvoorbeeld een vogel fotograferen zonder dat de vogel merkt dat je er bent.